Kinderen hebben recht op Zwarte Piet


Precies tien jaar geleden, op 30 september 2016, velde de Kinderombudsman een oordeel dat grote impact zou hebben op de Sinterklaastraditie. Zij stelde dat Zwarte Piet in strijd is met het internationale Kinderrechtenverdrag en daarom moest worden aangepast. Het oordeel haalde de landelijke media, werd overgenomen door scholen en instellingen, en gold jarenlang als een soort officieel keurmerk voor iedereen die vond dat de traditie op de schop moest. Nu, tien jaar later, is het moment om kritisch terug te kijken naar hoe dat oordeel tot stand kwam en wat de Kinderombudsman, Margrite Kalverboer, daar zelf over zegt.

De brief die het verschil maakte

Het zwaarst aangehaalde bewijs in het standpunt van de Kinderombudsman was een brief die een kind zou hebben ontvangen, met een tekst over huidskleur, rode lippenstift en oorringen. Kalverboer noemde dit voorbeeld destijds het meest schrijnende uit haar onderzoek: een jongen die zo van streek raakte dat hij niet meer naar school durfde.

In werkelijkheid was de brief niet aan het kind gericht, maar aan zijn moeder. Dit blijkt uit teksten en foto’s van de brief die de moeder zelf op Facebook heeft geplaatst. Bovendien is de moeder geen neutrale partij: zij is zelf anti-Zwarte Piet-activist, en heeft haar kind naar de Kinderombudsman gestuurd.

Er is meer dat vragen oproept over de onafhankelijkheid van het onderzoek. Direct na het oordeel kwam al de kritiek dat de kinderombudsman zich baseert op een zeer smalle basis van een paar gesprekjes met een kleine, voor de Nederlandse bevolking niet representatieve, groep kinderen. De Kinderombudsman verweerde zich onder andere door te stellen dat ze niet gesproken had met kinderen van activisten die een klacht hadden ingediend. Maar nu blijkt dat de moeder in kwestie één van de activisten was die eerder dat jaar in het kantoor van de ombudsman aanwezig is geweest om de brief te laten zien en een standpunt van de kinderombudsman af te dwingen.

Dit alles is geen bijzaak. Als het kernbewijs van een landelijk oordeel over een zeer waardevolle, eeuwenoude traditie op een verkeerd beoordeelde brief van een activistische ouder blijkt te berusten, verdient dat op zijn minst een herbeoordeling.

Een overheidsinstituut met een zware bevoegdheid

De Kinderombudsman is onderdeel van de Nationale ombudsman, een Hoog College van Staat, bedoeld om de democratie en rechtstaat te bewaken. Van een instituut met dergelijk gezag mag je een hoge mate van zorgvuldigheid verwachten.

Met haar standpunt over Zwarte Piet gaf de Kinderombudsman invulling aan een brede bevoegdheid. Het ging niet om een klacht over een specifieke instelling, maar om een standpunt van het instituut zelf over een cultuurkwestie. Dit is een zwaardere bevoegdheid dan waarvoor het instrument ombudsman oorspronkelijk is bedoeld, namelijk: burgers beschermen tegen falend overheidshandelen. Deze kwestie vraagt dus om extra zorgvuldigheid.

De klacht en het antwoord

Samen met het Sint en Pietengilde heb ik een formele klacht ingediend bij de Kinderombudsman, met het verzoek het standpunt te herzien. De volledige briefwisseling is te lezen op de site van het Sint en Pietengilde.

Wat daarin opvalt, is dat de Kinderombudsman niet inhoudelijk op de klacht ingaat. Zij beroept zich op procedures op basis waarvan zij stelt niet te hoeven reageren. Zij erkent niet dat de brief verkeerd is geïnterpreteerd, en evenmin dat de moeder van het kind anti-Zwarte Piet-activist is.

Dat is wrang. De Nationale ombudsman is er juist om te beoordelen of overheidsinstanties burgers behoorlijk hebben behandeld. Dat is de hele bestaansreden van het instituut. Maar wanneer de klacht de Kinderombudsman zelf betreft, blijkt diezelfde behoorlijkheid opeens niet te gelden.

Het kinderrecht dat over het hoofd wordt gezien

De Kinderombudsman heeft de wettelijke taak om de rechten van kinderen te bevorderen. Kinderrechten gaan er onder andere om dat een kind zijn eigen cultuur moet kunnen leren kennen en beleven. Artikel 30 IVRK zegt dat dit recht niet ontzegd mag worden aan kinderen die tot een minderheid behoren of van inheemse afkomst zijn. Of autochtone Nederlandse kinderen daaronder vallen, is onduidelijk. Maar de gedachte erachter, dat kinderen hun eigen culturele erfgoed moeten kunnen meekrijgen, geldt natuurlijk voor alle kinderen.

Wie het belang van kinderen serieus neemt, moet ook meewegen wat een ingreep in de Sinterklaastraditie betekent voor autochtone kinderen die ermee opgroeien. Uit het oordeel van de Kinderombudsman blijkt niet dat die afweging is gemaakt.

Waarom dit tien jaar later nog steeds telt

Je kunt van mening verschillen over Zwarte Piet. Maar een officieel oordeel van een overheidsinstituut is iets anders dan een mening. Zo’n oordeel wordt aangehaald in beleidsstukken, gebruikt door scholen om ouders te overtuigen, en geciteerd in de media. Die moet inhoudelijk overtuigend zijn onderbouwd.

Het oordeel van tien jaar geleden was al direct controversieel. Nu met de opgedoken bewijsstukken is het een goed moment om de balans op te maken. Een vals oordeel van een activistisch instituut heeft een cruciale rol gespeeld in een zeer verhit maatschappelijk debat. Daarmee zijn rechten en belangen van een groot deel van de bevolking ondermijnd. Voor wie is dit instituut eigenlijk? Hoe kan de Nederlandse burger er nog vertrouwen in hebben?

Gepubliceerd op Nieuwrechts